hit counter joomla

Adventskalender 2017: Kwetsbaar als een kind

adventskalender2017

bestel de kalender

Samen Verder ontvangen via e-mail?

Meld u hier aan!

samenverder

Door u te abonneren op de digitale versie van de SV helpt u om de kosten te drukken en de bezorglast te verminderen.

anbi logo

Een stukje historie van de Kapelkerk

kapelkerk2Tijdens de Franse Revolutie probeerde men een scheiding aan te brengen tussen Kerk en Staat. Die scheiding had tot gevolg dat in 1810 het beheer en het onderhoud van de Kapelkerk (en Grote Kerk) door de Gemeente Alkmaar werd overgedragen aan de Kerkrentmeesters van de Gereformeerde Kerk (Hervormd bestond nog niet). De PGA draagt dus al ruim 200 jaar zorg voor de Kapelkerk! Voor dit beheer was natuurlijk geld nodig. De kerkgangers van vroeger betaalden net als wij een kerkelijke bijdrage. In 1827 betaalde een voorouder van mij drie gulden per jaar aan de kerkrentmeesters (een flink weekloon was f 7,- en een eenvoudig huis kostte 150 tot 600 gulden).


Een andere manier om geld te innen van kerkgangers was om ‘plaatsgeld’ te vragen. Zo betaalde mijn voorouders in de jaren 10 en 20 van de 19e eeuw, een bedrag van f 4,- per jaar voor zitplaatsen in de Kapelkerk. In het grote boek: “De Blaffer van Stoelen en Banken in de Kapelkerk” uit begin 19e eeuw (aanwezig in het Regionaal Archief Alkmaar) staan alle zitplaatsen van de Kapelkerk vermeld en ook aan wie toestemming was verleend op deze plaatsen te gaan zitten. Zo was stoel Noord-63 bezet door een ‘betovergrootmoeder’ van mij. Dit is een gewone stoel een paar rijen voor de Burgemeestersbank, recht voor de preekstoel: een mooie plaats. Op deze rijen stoelen mochten overigens alleen vrouwen zitten. De banken in de Kapelkerk waren gereserveerd voor notabele burgers van Alkmaar. Er was een Burgemeestersbank (recht tegenover de preekstoel), banken voor de rechterlijke macht, de Raad der Gemeente, de Commissaris van politie, de ambtenaren van de stad Alkmaar. De rest van de banken werd gehuurd en soms gekocht door bemiddelde burgers. Anderen mochten hier niet zitten! In het archief trof ik een keurige brief van koopman Blom aan, die vroeg of zijn knecht naast hem mocht zitten in de bank om hem te ondersteunen bij het lopen, vooral tijdens de donkere middagdienst als er geen maan was. De Kerkrentmeesters uit 1824 vonden het echter zeer ongepast dat een ‘domestiken’ (knecht) op een dichte bank ging zitten en stonden dit niet toe. De suppoosten van de Gereformeerde Kerk zagen erop toe dat alles volgens de regels verliep, dat elke kerkganger op de juiste plek ging zitten, behorend bij zijn functie of stand.
Overigens vond ik in het archief ook nog een briefwisseling uit 1810 tussen de Burgemeester van Alkmaar en de Kerkrentmeesters dat deze laatsten van de ambtenaren geen plaatsgeld mochten vragen: Kerk en Staat waren nog niet geheel gescheiden.
Tot in de 20e eeuw bleef het plaatsgeld bestaan.

Maria Snippe-Swart